Katten 2017-09-04T11:00:59+00:00

U kunt bij Dierenartsenpraktijk Ter Dreve terecht voor:

kleine huisdieren en paarden

Vaccinatie bij de kat

Het doel van vaccinatie is dmv niet-ziekteverwekkende deeltjes of stoffen in te spuiten in het lichaam het afweersysteem aan te wakkeren om antistoffen (weerstand) te maken tegenover verschillende ziekteverwekkers (virussen, bacteriën). Hierdoor zal het afweersysteem bij een blootstelling aan de ziekteverwekkers deze onmiddellijk herkennen en er op kunnen reageren waardoor het dier er niet of veel minder ziek van wordt. Hieronder volgt een beknopte uitleg over de verschillende ziektes waartegen een kat gevaccineerd kan worden. We starten meestal met een eerste vaccinatie op de leeftijd van 9 weken, daarna nog een herhaling op de leeftijd van 12 weken (wanneer de antistoffen die het kitten van de moeder heeft gekregen het laten afweten). Bij verhoogde infectiedruk of problemen in de kattenpopulatie kan soms al op de leeftijd van 6 weken gevaccineerd worden. Tegenover vele ziektes is een jaarlijkse hervaccinatie aan te raden.

Kattenziekte (Feliene panleukopenie)

Virale ziekte die voornamelijk jonge katjes aantast en zich vermenigvuldigt in het beenmerg, lymfeknopen en darmstelstel, waardoor de afweer van besmette dieren vermindert (en andere infecties de kop kunnen opsteken). Symptomen zijn koorts, buikpijn, braken en diarree (soms gedurende weken na herstel). Het virus kan ook geboorteafwijkingen veroorzaken bij drachtige katten, met zwakke kittens die een vreemde gang kunnen vertonen tot gevolg. Het virus blijft jarenlang besmettelijk in de omgeving en kan alleen met bepaalde desinfecantia worden gedood.

Kattenniesziekte

Dit is een multifactoriële aandoening waarbij verschillende virussen (calicivirus en herpesvirus) , bacteriën (chlamydia) en omgevingsfactoren (stress, hygiëne) een rol spelen. De aandoening komt vooral voor na intensief contact tussen verschillende katten of met besmette materialen zoals in catteries of bij kattenshows. Symptomen zijn sterk afhankelijk van de leeftijd waarop het dier besmet geraakt en de algemene weerstand. Er zijn ook dragers van deze virussen die zelf niet ziek zijn maar wel andere dieren kunnen besmetten. Vaak voorkomend zijn koorts, niezen, neus- en oogvloei, hoesten, speekselen en ulcers in de mond (letsels van tong en wangslijmvliezen). Het vaccin biedt geen 100% bescherming maar zorgt er wel voor dat besmette dieren veel minder ziek worden. Bij hoge infectiedruk wordt dan soms ook aangeraden om tweemaal per jaar te vaccineren.

Chlamydia

Bacterie die meestal voorkomt in het ‘niesziektecomplex’ en sporadisch ook afzonderlijk voor symptomen kan zorgen zoals neusvloei en chronische conjunctivitis of abortus bij drachtige poezen.

Kattenleukose

Behoort samen met ‘kattenaids’ tot de twee meest gevreesde ziektes bij katten, die meestal worden overgedragen door wilde (zwerf)katten. Leukose kan (in tegenstelling tot kattenaids) ook worden overgedragen door speeksel of neusvloei van besmette katten dwz dat intensief sociaal contact al voldoende is om zich te besmetten. Overdracht gebeurt ook door bijtwonden en bij dekking of wordt door de moeder doorgegeven aan de kittens (via placenta of moedermelk). Niet alle besmette dieren worden ziek, een aantal overwint het virus en sommige dieren blijven drager. Zij vormen dreigend gevaar voor andere poezen daar zij zelf niet ziek zijn maar de ziekte wel verder verspreiden. Het virus kan zich uiten op allerlei manieren en symptomen, die meestal het gevolg zijn van een verminderde weerstand. Vaak voorkomende klachten zijn koorts, lusteloos zijn, braken, diarree, vermageren, anemie en vruchtbaarheidsstoornissen. Ook kunnen tumoren van de witte bloedcellen gevormd worden (leukemie) zoals de naam van het virus al liet vermoeden. De meeste dieren sterven aan de ziekte of worden geëuthanaseerd. Het is onze taak om dragers op te sporen en zodanig de ziekte trachten uit te roeien. Ook hier biedt vaccinatie geen 100% bescherming.

FIP (Feliene infectieuze peritonitis)

Virale ziekte die ontstaat door een mutatie van een relatief onschuldig coronavirus (veroorzaakt wat lichte diarree) tot een meer kwaadaardige variant: het FIP-virus. Een groot percentage van de kattenpopulatie werd ooit besmet met het coronavirus, slechts bij een klein aantal ervan gebeurt er een mutatie. Wat daarvan de reden is, is nog niet helemaal duidelijk maar wel zouden factoren als hygiëne, huisvesting en stress ook een rol spelen. Vooral hele jonge of oude katten worden ziek, overdracht van virus gebeurt door neusvloei, via voeding of uitwerpselen of besmet materiaal. Catteries hebben een extra risico (door hogere infectiedruk). Er zijn twee vormen van dit virus beschreven (ngl weerstand van de poes). De natte vorm die een snel verloop kent en zich uit door vochtopstapeling in verschillende lichaamsholten met alle gevolgen vandien (tgv vasculitis van de bloedvaten). Een tweede vorm is de droge vorm die iets trager verloopt en zorgt voor de vorming van granulomen in verschillende organen. Daar er nog steeds discussie is over de werkzaamheid van het vaccin wordt het in praktijk nog zelden toegepast.

Hondsdolheid (rabies)

Ziekte van het zenuwstelsel met dodelijke afloop die bij praktisch alle zoogdieren kan voorkomen dmv een bijtwonde van een besmet dier. Hoewel België al jaren ‘rabiësvrij’ werd verklaard gelden toch strikte voorwaarden bij in- en uitvoer naar en uit derde landen. U kunt hierover best eerst goed informeren alvorens op reis te vertrekken!